Het Ras

De bakermat van de Sealyham ligt in Zuid-Wales.

De laagbenige Sealyham terriër behoort niet tot de oudere terriër rassen. Pas omstreeks het midden van de vorige eeuw werd het ras door kruising met verschillende terriër-varieteiten verkregen. Welke precies hierbij gebruikt zijn, is niet met zekerheid bekend De bakermat van de Sealyham ligt in Zuid-Wales en wel in het graafschap Pembrokeshire; daarom werd hij in het begin dan ook wel Pembrokeshire terriër genoemd. 

john-tucker-edwardsOmstreeks 1808 werd een zekere John Owen Tucker Edwardes geboren, nazaat van een oud Engels geslacht en rechter van beroep. Het was deze Edwardes, die als “maker” van de Sealyham terriër alle eer toekomt.

Na zijn militaire loopbaan vestigde hij zich omstreeks 1848 op het eenzame landgoed “Sealyham”, gelegen tussen Haverfordwest en Fishguard Harbour in Pembrokeshire. In de nabijheid stroomde het riviertje Sealy, waaraan het buiten de naam te danken had. Edwardes leefde teruggetrokken en geheel voor zijn geliefde jacht. Hij bezat een uitstekende meute Otterhounds en wenste naast deze grotere hond een kleine terriër voor het werk onder de grond. Hij was hiervoor aangewezen op de verschillende niet-rashonden van die streek, die meestal zwart en tan van kleur waren, maar deze voldeden hem niet; hij wenste een laagbenige hond, vlug en klein genoeg om otter en ander schadelijk gedierte in het hol te achtervolgen. Maar hij wilde ook een moedige hond, terwijl deze tevens wit moest zijn om hem van vos, bunzing of otter te kunnen onderscheiden. Want zij kwamen vaak uit de holen te voorschijn, overdekt met de lucht van das of vos en de grotere hounds hielden de donkere terriërs dan voor het wild en vielen ze aan met alle nare gevolgen ervan.

 

Omstreeks 1848 begon Edwardes met zijn experiment. Veel moeite en teleurstelling heeft hij moeten overwinnen alvorens hij zijn ideaal bereikte. Op het grote landgoed gelukte het hem na zorgvuldige selectie een kortbenige, witte hond te fokken, die ieder schadelijk gedierte op zijn bezitting te lijf ging. Welke rassen hij gebruikte bij het fokken, daarover heeft Edwardes nooit iets losgelaten. Men noemt de Dandie Dinmont, de Bullterriër, de West Highland White terriër en zelfs de Corgi. 

Zijn vrouw, die van geboorte een Vlaamse was, had van het Continent witte Bassets uit de Vendée meegebracht en het is dan ook mogelijk dat deze bij de kruisingen gebruikt zijn; ook de kleine Cheshire terriër, nauw verwant aan de witte bullterriër, zou een aandeel hierbij hebben gehad, evenals de foxterriër.

Dat er grote verschillen bestonden in type, kan men zich indenken. Vele waren hoog op de benen, anderen zeer laag; weer anderen hadden lang zacht haar, terwijl ook kort stug haar voorkwam. Bij de meeste hingen de oren, doch enkele hadden een staand oor. Vlekken op het hoofd. en platen op het lichaam waren niet zeldzaam, terwijl lichte ogen en onregelmatig gebit voorkwamen. 

lekkerspanDit alles heeft in de eerste jaren de fokkerij grote moeilijkheden gegeven, daar in de nesten natuurlijk pups voorkwamen van zeer uiteenlopend type. De meest naar voren tredende fouten waren het grote ronde oog van de Dandie Dinmont, de staande oren van de West Highland White (die men gebruikt heeft om de witte vacht te krijgen), de smalle hoog aangezette oren van de foxterriër en de te smalle vorm van ogen van de bullterriër.

Edwardes was veeleisend als het ging om moed en vasthoudendheid. Jonge honden werden eerst aan een proef onderworpen, aleer zij tot zijn meute werden toegelaten. Deze proef bestond uit het volgende. In de dichte bossen van het landgoed wemelde het van bunzings, geduchte rovers, die voor geen kleintje vervaard zijn. Als de pups de leeftijd van een jaar bereikt hadden, werd een volwassen bunzing over het veld gesleept naar een soort put, waar het dier voldoende vrijheid had om zich te kunnen verdedigen. Een nauwe opening gaf toegang tot de put. Door de sterke bunzinglucht aangetrokken, kwamen de jonge honden al spoedig op het spoor van de put en dit moment besliste over leven of dood van de pup. Viel de Sealyham de bunzing aan en probeerde .hij hem te doden, dan werd hij getolereerd. Een ieder weet wat een gevaarlijke tegenstander een volwassen bunzing is. Maar bij de minste aarzeling of tekenen van angst, maakte een geweerschot onherroepelijk een einde aan het leven van de hond.

 

Edwardes liet zich hierbij wel eens te veel leiden door zijn gewenste ideaal, want menige jonge terriër die bij de eerste ontmoeting met de bunzing tegenzin toonde, werd het slachtoffer van zijn geweer. Dat deze methode niet altijd juist bleek, toonde het volgende geval. Een jonge Sealyham, die door zijn aarzeling om een bunzing aan te vallen, voorbeschikt was om doodgeschoten te worden, dankte zijn leven aan een der pachters, die zo op het dier gesteld was, dat hij de landheer vroeg de hond te mogen behouden, daar hij uitermate geschikt was om de ratten uit zijn kippenren te houden. Edwardes stond het met tegenzin toe en nog geen jaar later, toen de hond volgroeid was, bleek deze Sealyham een der beste en felste jagers op het landgoed te zijn. Edwardes kocht hem terug en de hond heeft later een grote invloed op de fokkerij gehad.

Na het overlijden van Edwardes op 19 maart 1891 in zijn 82e levensjaar, stierf ook zijn enige zoon zes maanden later kinderloos, waardoor dit beroemde geslacht uitstierf. Het ras bleef toch in handen van de Pembrokeshire jagers en liefhebbers en zo werd in 1908 te Haverfordwest de Sealyham Terriër Club opgericht op initiatief van Captain Jack Howell, Master of Foxhounds. In 1910 volgde de erkenning door de Kennel Club. In 1903 kwamen in Haverfordwest de eerste Sealyham op de tentoonstelling; zij waren bij lange na niet uniform in type! In 1914 werd in het plaatsje Slade de eerste openlucht-keuringsdag gehouden met twee bekende keurmeesters en een ieder, werd uitgenodigd zijn Sealyham te laten beoordelen. Er was een enorme belangstelling en zo kon men in de “Open Klassen reuen” 71 honden bij elkaar zien en in de “Open Klasse teven” waren er 64 exemplaren. Het moet wel een schitterend gezicht geweest zijn om al deze Sealyham in een grote kring bij elkaar te zien staan!

tentoonstellingIn 1903 werd een Sealyham geboren, die de naam droeg van “Peer Gynt”. Na vele lauweren op de tentoonstellingen te hebben geoogst, werd hij voor de fokkerij gebruikt en men kan wel zeggen, dat hij de voorvader werd van de moderne Sealyham. De tegenwoordige honden zien er heel anders uit dan hun vroegere soortgenoten; zwaarder in . bouw, breder in hoofd én minder snel, zijn zij volgens de oude fokkers niet meer zo geschikt voor het zware en gevaarlijke werk, dat oorspronkelijk van hen werd verlangd.

Kort na de eerste wereldoorlog was het Sir Jocelyn Lucas die veel voor het ras heeft gedaan. In een van zijn vele artikelen schreef Lucas o.a. in Dog World en in Hutchinson’s Encyclopedie hoe hij -toen hij in 1919 uit het leger kwam -een bezoek bracht aan Capt. Jack Howell (die zo geijverd had voor de erkenning van de Sealyham door de Kennel Club) op zijn landgoed in Pembrokeshire. Howell had een groot aantal van deze laagbenige terriërs, waarmede hij op jacht ging te samen met zijn Foxhounds. Zij waren wat hoger op de benen ten einde de paarden te kunnen volgen. Lucas zag hen aan het werk en was zo enthousiast, dat hij dadelijk een twaalftal van Howell’s “speurders” (zoals hij ze gekscherend noemde) kocht. Van een zekere Sid Bowler kocht Lucas later de vrij grote en forse reu Bowhit Jack, wiens naam hij veranderde in llmer Jack. Van deze stamden de meeste van zijn bekende honden af. Ook wist hij beslag te leggen op een beroemde meute Sealyham van wijlen de fokker Gladish Hulke; deze waren speciaal afgericht voor de jacht op wezels. Hierbij bevond zich de eenogige reu “Bantam”, een uitmuntende werker, die veel voor de fokkerij heeft betekend.

Jocelijn Lucas heeft steeds geijverd voor een niet te grote hond, die hij voor het werk beter vond dan het grotere type. Ook vindt hij een harde stugge vacht van groot belang. Lucas’ werksealyhams hebben onder de kennel naam Ilmer een grote vermaardheid gekregen.

De Sealyham is vrolijk en guitig van aard en in zijn tentoonstellingspakje ziet hij er zeer aantrekkelijk uit. Tegenwoordig ziet men hem niet alleen op de show bench, want ook als huishond is hij zeer gezocht.

schilderij